Stadsheelmeesters

Maart 2006, Egbert Koster, BladNA

Stadsbouwmeesters zijn er in alle soorten en maten. Een recent fenomeen is dat gemeenten een ‘externe’ stadsbouwmeester inhuren om hun eigen stedenbouwkundige dienst op te schudden en van nieuw elan te voorzien. Drie praktijkvoorbeelden uit Goes, Leiden en Enschede.

In ons land zijn circa tien à twintig stadsbouwmeesters actief. Niemand weet precies hoeveel. Sommigen heten ‘stadsarchitect’, anderen ‘stadsstedenbouwer’ en een eenling ‘dorpsbouwmeester’ maar de meesten hebben ‘stadsbouwmeester’ op hun visitekaartje staan. Ongeacht de titel waaronder zij opereren kunnen stadsbouwmeesters zowel als ambtenaar in vaste dient van een gemeente zijn of op uurbasis worden ingehuurd. Eén super-stadsbouwmeester combineert beide opties en is in maar liefst drie gemeenten als stadsarchitect actief*. In tegenstelling tot een supervisor, die met de supervisie van één specifiek project is belast, wordt een stadsbouwmeester geacht zijn licht te laten schijnen over het hele territorium dat binnen de gemeentegrenzen valt. Met het ontwerpen van gebouwen laat een stadsbouwmeester zich tegenwoordig niet meer in. Wiek Röling en Thijs Asselbergs waren de laatste stadsarchitecten (van de gemeente Haarlem) die in ambtelijke dienst hele bouwwerken ontwierpen. Al schijnt hun opvolger, Joop Slangen, zich af en toe nog wel eens te bezondigen aan het ontwerpen van ‘een klein bruggetje’. Waar stadsbouwmeesters zich anno 2006 wel mee bezighouden is stedenbouw en welstandszorg.

Intern kwaliteitsteam
Stadsbouwmeesters in gemeentedienst (o.a. Assen, Den Haag, Eindhoven, Haarlem, Haarlemmermeer, Heerlen en Groningen) zijn – althans voor de buitenwereld – een verlengstuk van het ambtenarenapparaat. Van buitenaf ingehuurde ‘externe’ stadsbouwmeesters (o.a. Almere, Enschede, Leiden, Waddinxveen en Weesp) hebben daarentegen vooral de taak om ingeslapen of slecht functionerende gemeentelijke stedenbouwkundige diensten op te schudden en van nieuw elan te voorzien. Het initatief hiervoor komt meestal van een ambitieuze wethouder die niet langer afhankelijk wil zijn van initiatieven van marktpartijen en weer actief sturing wil gaan geven aan het ruimtelijk beleid.

Architect Kees Kaan (Claus en Kaan Architecten) werd om deze reden in 1999 benoemd als ‘externe’ stadsbouwmeester van Goes. Bij zijn aanstelling trof hij een ‘nauwelijks georganiseerde’ stedebouwkundige dienst aan. ‘Er was geen visie en er werd louter ad hoc gereageerd op initatieven uit de markt’, aldus Kaan. ‘Gemeenten hebben slechts beperkte mogelijkheden om goede mensen aan te trekken en een slagvaardige stedenbouwkundige dienst op te zetten. Het management heeft geen inhoudelijke kennis van zaken en de ambtenaren op de werkvloer houden er allemaal hun eigen mening op na. Zij vinden het moeilijk om hun werk te laten beoordelen en accepteren geen gezagsverhouding meer. Niemand is de baas.’ De oplossing hiervoor werd gevonden in het formeren van een soort intern kwaliteitsteam waar de planbegeleiders ‘hun’ projecten moesten toelichten en verdedigen. Behalve tot betere schetsontwerpen van de lokale ontwikkelaars resulteerde dit ook tot een beter functionerend ambtenarenapparaat. Kaan: ‘De ambtenaren werden op deze manier gedwongen om over projecten te communiceren. De argumentaties die hierbij boven tafel kwamen konden zij vervolgens gebruiken om plannen te verdedigen richting politiek. Argumenten van een buitenstaander worden bovendien veel serieuzer genomen dan van een ambtenaar of ontwikkelaar.’ Na afloop van Kaans aanstelling, in 2003, heeft Goes geen nieuwe stadsbouwmeester benoemd. Momenteel is Kaan lid van een adviescommissie architectuur en stedenbouw van de gemeente Breda.

Maken in plaats van toetsen
Stedenbouwkundige Ton Schaap van de Amsterdamse Dienst Ruimtelijk Ordening wordt door zijn werkgever voor anderhalve dag per week ‘uitgeleend’ aan Enschede. Als (externe) ‘stadsstedenbouwer’ maakt hij daar deel uit van de directie van de gemeentelijke dienst stedenbouw. Zijn taak is tweeledig. Schaap: ‘Behalve het in goede banen leiden van een aantal lastige stedenbouwkundige projecten is het de bedoeling dat ik ook van de gemeentelijke dienst stedenbouw weer een inhoudelijk speler maak. Dat wil zeggen een dienst die niet alleen plannen toetst maar, net als vijftien jaar terug, ook weer zelf plannen maakt. Ik geloof heel sterk in een sturende gemeente die, zoals Amsterdam, de regie strak in handen heeft en niet alle stedenbouwkundige problemen afschuift naar particuliere bureaus.’ Meestal vraagt het gemeentebestuur aan Schaap om zich te bemoeien met projecten als de westelijke rondweg, de herontwikkeling van de TU Campus tot Kennispark of de aanleg van een vrije busbaan  in een nieuwbouwwijk. Soms neemt hij zelf het initatief. Zoals bijvoorbeeld bij de herontwikkeling van het gebied rondom het toekomstige muziekgebouw van Jan Hoogstad. Een binnenstedelijk project dat men aanvankelijk wilde overlaten aan ‘de markt’ maar waarvoor de gemeente nu in eigen beheer een gedetailleerd stedenbouwkundig ontwerp heeft gemaakt dat heel concreet het ambitieniveau verbeeldt. ‘Aangezien dit hele gebied eigendom van de gemeente is ligt het mijns inziens voor de hand dat de gemeente bij dit project ook het voortouw neemt’, aldus Schaap.

Kop van Jut
Stedenbouwkundige Donald Lambert (bureau Kraaijvanger Urbis) is sinds eind 2002 een dag in de week stadsbouwmeester van Leiden. Op basis van zijn ervaring met ambtelijke stadsbouwmeesters in Den Haag en Haarlem bedong hij bij zijn aanstelling absolute inhoudelijke vrijheid en volledige onafhankelijkheid van het gemeentebestuur en het ambtenarenapparaat. In het eerste jaar van zijn aanstelling ontwikkelde Lambert in zijn hoofd een soort toekomstkaart van de stad die hij vervolgens in 2003 heeft gepresenteerd aan de gemeenteraad en het publiek.

Lambert: ‘Een stadsbouwmeester moet zich verbonden voelen met de stad maar mag nooit worden gedwongen om zijn gevraagde of ongevraagde adviezen te baseren op de agenda van het gemeentebestuur. Dat maakt mij veel geloofwaardiger voor de bevolking dan ambtenaren of een extern adviesbureau. Door als onafhankelijk adviseur naar buiten te treden met een visie of een openbaar debat over een bepaald project aan te gaan loop ik risico afgeschoten te worden door publieke opinie of ontevreden bestuur en fungeer ik in feite als een soort Kop van Jut.’ Het nadeel van zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de dienst stedenbouw is, aldus Lambert, dat de ambtenaren uit onterechte angst voor betutteling onvoldoende gebruik maken van de strategische mogelijkheden van het stadsbouwmeesterschap. ‘Zij wachten bijvoorbeeld tot een project stukloopt op welstand en komen dan, bij wijze van spreken, uithuilen bij de stadsbouwmeester, terwijl het slimmer zou zijn geweest om mij strategisch in te zetten als voorhoedespeler.’ Juist om onafhankelijk te kunnen functioneren heeft Lambert onvoorwaardelijke politieke steun nodig van de verantwoordelijk wethouder. ‘Indien er bij de komende gemeenteraadsverkiezing een nieuwe wethouder komt zal ik mij dan ook mogelijk op mijn positie gaan beraden.’

Stadsbouwmeesterlijk welstandstoezicht
De nieuwe Woningwet biedt gemeenten de mogelijkheid om in plaats van een welstandscommissie een individuele stadsbouwmeester te benoemen die in zijn eentje beoordeelt of een bouwaanvraag aan redelijke eisen van welstand voldoet. Twee kleine, landelijke gemeenten maken gebruik van deze mogelijkheid. In Maasbree en Stede Broec (Bovenkarspel en Grootebroek) belichaamt de plaatselijke stadsbouwmeester het welstandstoezicht in zijn eigen persoon.

Maasbree is in 2004 grotendeels welstandsvrij verklaard met uitzondering van een aantal uitleggebieden en inbrei-locaties. Bouwaanvragen voor deze locaties worden door extern ‘dorpsbouwmeester’ Bas Wauben op basis van beeldkwaliteitsplannen (die hij, samen met de gemeentelijke stedenbouwkundige, zelf heeft gemaakt) aan redelijke eisen van welstand getoetst. Overdreven streng gaat het er daarbij niet aan toe. Wauben: ‘Wie ben ik om na tien minuten kijken een belerend vingertje op te steken naar collega’s die vaak al een half jaar met een project bezig zijn? Mijn rol ligt meer op het vlak coachen, bevragen en begeleiden van planindieners dan in het beoordelen van ontwerpen. Wat mij betreft mogen de teugels best wat losser. Ook in de welstandsvrije gebieden binnen Maasbree zijn tot op heden geen ongelukken gebeurd.’

Ook in Stede Broec gaat er bij de welstandsbeoordeling gemoedelijk aan toe. Extern stadsbouwmeester Rogier Verbeek komt eens in de twee weken anderhalf uur naar het gemeentehuis om bouwplannen ten overstaan van de indiener mondeling te voorzien van een positief of negatief welstandsadvies. ‘Live’ en in ook voor leken begrijpelijke taal. Verbeek: ‘Het klinkt misschien wat lullig, zo’n zitting aan een gewone tafel met een kop koffie erbij, maar het werkt als een trein. In veel andere Noord-Hhollandse gemeenten moeten burgers voor de aanvraag van een dakkapel eerst dertig kilometer rijden en krijgen dan te maken met een rondreizend tribunaal van de Stichting Welstandszorg Noord-Holland. Die mensen zijn helemaal niet op de hoogte van de situatie ter plaatse en formuleren hun schriftelijke uitspraak in voor leken onbegrijpelijk vakjargon. Bovendien kost ik Stede Broec minder dan de helft van een reguliere welstandscommissie.’ Verbeek ontleent zijn beoordelingscriteria aan een welstandsnota en beeldkwaliteitsplannen die door een externe stedenbouwkundige zijn opgesteld. Bij de gemeentelijke stedenbouwkundige, die tevens fungeert als plaatsvervanger, kan tegen een eventuele negatieve uitspraak beroep worden aangetekend. In totaal gaat het in Stede Broec om circa tweehonderd bouwaanvragen per jaar.

Download hier het artikel Stadsheelmeesters uit BladNA


Stedenbouwkundige Fred Kaaij is, naast stadsbouwmeester in dienst van de gemeente Haarlemmermeer, ook ‘extern’ stadsbouwmeester van Waddinxveen en Weesp