Stadsarchitect in stedenbouwjungle

11 september 2009, Carien Overdijk, Binnenlands Bestuur

De tijd van stadsarchitecten Berlage en Dudok is voorgoed voorbij. De meeste gemeenten vertrouwen nu op hun structuurvisies, bestemmingsplannen en
welstandsnota’s. Maar kunnen die een ruimtelijk hapsnapbeleid voorkomen? Vier stadsarchitecten verdedigen hun functie: ‘Een onafhankelijke hoeder is nodig.’

Amersfoort, Haarlem en Valkenburg benoemden vorig jaar een stadsarchitect. Den Haag, Leiden en Enschede schaften de hunne onlangs juist af. En terwijl er in Den Haag beslist geen nieuwe komt, bezinnen Leiden en Enschede zich nog op een vervolg. Zwolle, dat het al decennia zonder stadsarchitect stelt, piekert momenteel, op aandringen van de gemeenteraad, of er een moet komen.
Stadsarchitect, stadsbouwmeester, de woorden dekken de lading allang niet meer. De titel stadsbouwmeester is sinds 2003 wettelijk toebedeeld aan welstandsadviseurs (zie hieronder).
De stadsarchitect – vroeger een gangbare topfunctie, met fameuze voorbeelden als Berlage en Dudok – raakte al vlak na de wederopbouw zijn ontwerptaak kwijt. Het aantal stadsarchitecten liep sindsdien ook sterk terug. De ruimtelijke kwaliteit wordt nu in de meeste gemeenten per project bepaald. Private grondbezitters domineren vaak de agenda, zonder veel oog voor het publieke belang of voor het effect op aangrenzende buurten en op de stad als geheel.
De stadsarchitect is onderhand een zeldzame diersoort in Nederland. Uit een snelle landelijke peiling rollen slechts zeven namen, waarbij één persoon weliswaar de rol van stadsarchitect voor drie afzonderlijke gemeenten vervult (Haarlemmermeer, Weesp en Waddinxveen). Ze hebben verschillende taken en posities, vaak nauwelijks een functiebeschrijving, en verschillen soms ook onderling van mening over wat hun rol zou moeten zijn.
De hedendaagse stadsarchitect bemoeit zich nog wel op eigen initiatief met het ruimtelijk beleid, maar uitsluitend als adviseur. En niet altijd ‘stadsbreed’. Zo huren Almere en Alphen aan den Rijn adviseurs in als ‘stadsarchitect’ voor deelgebieden. Heeft het eigenlijk nog zin om één prominente professional, een soort vrijdenker, aan te trekken voor de ruimtelijke kwaliteit van een hele gemeente?
Binnenlands Bestuur sprak met de huidige stadsarchitecten van Haarlem en Groningen, en met hun kortgeleden afgezwaaide collega’s uit Leiden en Den Haag.

Ongevraagd advies
Over een paar zaken zijn de vier ondervraagden het eens. Ze hebben de steun en het vertrouwen nodig van de betrokken wethouder(s) en ze willen langer meedraaien dan één collegeperiode. De omvang van de gemeente speelt daarbij geen rol. ‘De proceduretijd is in kleine gemeenten niet korter’, stelt Maarten Schmitt nuchter. Schmitt mocht zich in Den Haag elf jaar lang tooien met de titel stadsstedenbouwer.
Stedenbouw is een vak van lange adem, benadrukken de geïnterviewden. Ruimtelijke beleidslijnen doen er jaren over om concrete projecten te worden, en juist vanwege de politieke wisselingen is het belangrijk dat een gezaghebbende professional die lijnen in herinnering houdt en doorontwikkelt. Maar daarmee stuit de stadsarchitect ook direct op beperkingen. Want nieuwe wethouders brengen nieuwe agenda’s en scoringsdrift mee.
Schmitt ondervond dat in Den Haag. ‘Ik was vier dagen in dienst en eindverantwoordelijk voor alle stedenbouwkundige kaders. Ik had een kleine eigen afdeling die los stond van de afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en monumenten. Dat is geleidelijk zo gegroeid, en in 2004 in een protocol geformaliseerd’, vertelt hij.
Voor toenmalig wethouder Noordanus, die Schmitt in 1998 aantrok, was de vrijgespeelde professional een middel om de bureaucratie van de toenmalige dienst Ruimtelijke ontwikkeling te doorbreken. ‘Hij wilde snel door de organisatie heen met zijn plannen. We hadden met de wethouders van de harde portefeuilles een tweemaandelijks sauvageberaad, zoals dat heette, om de lijnen uit te zetten.’
En hoewel de pragmaticus Noordanus geen behoefte had aan de door Schmitt bepleite overkoepelende stadsvisie, kreeg de adviseur wel ruim baan voor een hoogbouwnota, en voor frisse ideeën die langvoorbereide projecten doorkruisten (zoals het bouwplan Hoog Haghe boven een sporencomplex) en die onder andere tot nieuwe centrumplannen leidden. Ook bij welstand kreeg Schmitt veel ruimte. ‘Ik had een tweewekelijks overleg met de commissie. Als een plan niet goed genoeg was, haalde ik het van de agenda.’

Het dna van de stad
Verder werd Schmitt voorzitter van een nieuw soort welstandscommissie, voor de openbare ruimte. Ook mocht hij een reeks boekjes publiceren, waarin hij ‘het DNA van de stad’ uiteenzette. ‘Ik schreef ze primair voor de gemeenteraad, en om het zelfbewustzijn van de Hagenaars te prikkelen. Ze zijn mijn verhaal, volledig onafhankelijk. De politiek heeft ze voor kennisgeving aangenomen.’
Schmitt is de eerste om te erkennen dat zijn welhaast pauselijke status het voor andere geledingen in de gemeente, ‘én voor de buitenwereld’ niet makkelijker maakte. Twee wethouders later viel dan ook het doek. ‘De huidige wethouder, Norder, schakelt de interne polemiek liever uit. Die is ook moeilijk beheersbaar,’ erkent Schmitt. Er is nu een architect benoemd als hoofd van de afdeling stedenbouw. Diens mandaat kan op termijn worden uitgebreid, maar ‘we willen geen twee loketten meer,’ aldus een woordvoerder.

Extern adviseur
De positie van Schmitt in Den Haag was uitzonderlijk. Vakgenoot Donald Lambert, tot voor kort stadsbouwmeester in Leiden, zat met een extern adviseurschap voor één dag per week aan het andere eind van het spectrum. ‘De wethouder ruimtelijke ordening wilde in 2002 een volledig onafhankelijk adviseur voor het niveau van de stadsstructuur en voor afzonderlijke projecten. Juist omdat ik mijn ontwerpbureau ernaast behield, werkte dat goed. Ik voelde me vrij om te zeggen wat ik vond.’ Van belangenverstrengeling is Lambert naar eigen zeggen nooit beticht. ‘Mijn bureau heeft tijdens mijn stadsbouwmeesterschap slechts één Leidse opdracht uitgevoerd, na een globaal advies van mij over een moeilijk gebied. Laat dat maar eens zien, zei de gemeente toen.’
Lambert beperkte zich tot een ‘helicopterview’ op de stad en tot adviezen over enkele grotere gebieden, zoals die rondom de stations. Daarnaast zwengelde hij stadsbrede debatten aan. Toen zijn contract twee colleges later teneinde liep, gaf de huidige wethouder Van Woensel hem de regie over de nieuwe structuurvisie voor de gemeente. ‘Hij zei: ik ga misbruik maken van jouw kennis. Dat was mijn laatste klus binnen het contract.’
Achteraf vindt Lambert één dag te weinig voor zijn stadsbouwmeesterschap. ‘Een halve week was beter geweest. Ik had geen overzicht over de projecten in de ambtelijke pijplijn. Maar een stadsarchitect moet er wel dingen naast hebben om onafhankelijk te blijven, vind ik. Je kunt beter geen onderdeel worden van een ambtelijke dienst. Dat verlamt.’ Lambert ziet nut voor zo’n adviseur in alle gemeenten die hun ruimtelijke plannen in handen van project- en procesmanagers hebben gelegd, zodat er weinig contact is tussen ontwerpprofessionals en de politiek. ‘Het college en de raad willen er óók iets van vinden. Ze kunnen zich laten voeden door iemand van buiten met een brede visie, vers uit de stedenbouwjungle. Maar als het hoofd van je dienst stedenbouw of ruimtelijke ordening zélf
een ontwerpachtergrond heeft en een inhoudelijke visie, dan heb je natuurlijk geen stadsarchitect nodig.’

Creativiteit
Hier wringt de schoen. De meeste gemeenten hebben hun stedenbouwkundige diensten de afgelopen jaren opgeheven. Zij schakelen projectgewijs in- of externe ontwerpers in of laten alle creativiteit over aan marktpartijen. Wie bouwplannen alleen nog toetst aan bestemmingsplan en welstandsnota, denkt niet meer anticiperend en creatief na over bijvoorbeeld het ruimtelijk verband tussen grotere gebieden, zo waarschuwen de stadsarchitecten. Of over een slimme integratie van ruimteclaims voor infrastructuur, bebouwing, waterhuishouding en groen.
De plicht, in de nieuwe Wro vastgelegd, om een structuurvisie voor al het grondgebied te hebben, leidt niet automatisch tot een beter uitgewerkt ruimtelijk beleid, omdat vorm en inhoud niet wettelijk zijn vastgelegd. En de resterende ambtelijke stedenbouwkundigen zitten vaak diep in de organisatie verstopt en spreken zelden meer een wethouder. Kenmerkend is de positie van het nieuwe Haagse hoofd stedenbouw, (‘zeg maar onze creative director’, aldus een woordvoerder). Na een ophanden reorganisatie zal deze functie drie etages diep in de hiërarchie zitten. Hij rapporteert dan aan een directeur Beleid, die op haar beurt weer onder de directeur van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling ressorteert.

Net op tijd
Niek Verdonk, stadsarchitect in Groningen, kon mede dankzij een driewekelijks overleg met de wethouder nog nét op tijd aan de bel trekken over een groot project, de Ringweg-zuid. ‘Dat project was al in uitvoering, maar er was nog geen ontwerper aan te pas gekomen, zo bleek. Met de provincie en het atelier Rijksbouwmeester hebben we op het nippertje een kwaliteitsteam kunnen opzetten. Dat stelt vragen als: wat is dit voor weg, hoe verhoudt die zich tot de omgeving? Alleen de boel een beetje opleuken met bomen en geluidsschermen is niet voldoende.’ Het team kwam in krap twee maanden met twee nieuwe modellen. ‘Binnen het budget’, zegt Verdonk met enig trots. ‘Soms vraagt schoonheid geld, maar lang niet altijd.’
De Groningse stadsarchitect is 3,5 dag in dienst van de gemeente, maar staat organisatorisch los van het kleine groepje ruimtelijk ontwerpers dat er werkzaam is. ‘Ik zet projecten en manifestaties op, zoals een ontwerpend onderzoek naar intensivering van de bebouwing. Daarnaast bewaak ik de uitvoering van onze gemeentelijke architectuurnota en de kwaliteit van uitbreidingsplannen, en adviseer ik over grotere bouwprojecten. Soms ben ik lid van een supervisieteam.’
Een vetorecht, zoals Schmitt in Den Haag had, zou Verdonk niet willen. ‘Een stadsarchitect moet niet tegenover de organisatie staan. Hij moet er juist in brede lagen vertrouwen genieten.’ Ook de afstandelijkheid van Lambert in Leiden wijst Verdonk van de hand. ‘Intern bereik je meer dan extern. Het is al moeilijk genoeg om overzicht te houden over alle ontwikkelingen, nu er zoveel sectorale plannen gemaakt worden. Een stadsarchitect moet dichtbij de politiek zitten, maar ook meedenken over de financiële haalbaarheid en intern het ontwerpklimaat aanjagen. De tijd van die autoriteit met dat vlinderdasje, die met een rood potlood loopt te zwaaien, is voorbij.’

Niet vleugellam
In Haarlem heeft stadsbouwmeester Max van Aerschot zich, met een dienstverband van vier dagen, aanvankelijk bemoeid met de interne organisatie. ‘Ik ben ingehuurd voor de inhoudelijke sturing op ontwerpen, náást het lijnmanagement. Maar ik wilde wel dat twee zaken goed geregeld werden: mijn positie als onafhankelijk adviseur, én mijn positie binnen de ambtelijke organisatie. Anders zou ik vleugellam zijn.’
Vlak voor de komst van de stadsbouwmeester had Haarlem weer een brede afdeling stedenbouw en ontwerp ingericht, met bevoegdheden op het gebied van verkeer, openbare ruimte en landschap. Van Aerschot vond dat nog niet voldoende. ‘Het opdrachtgeverschap voor nieuwe ontwerpen zat nog bij de sectorale afdelingen. Het leek mij logischer om die taak bij gebiedsmanagers onder te brengen, een soort stadsdeelmanagers maar dan met een bredere opdracht. Dat is overgenomen. Er komt een integrale afdeling ruimtelijk beleid waar ook de planologen en juristen in zitten. Ik word daar staflid.’
De stadsbouwmeester heeft zich bovendien vastgebeten in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. ‘Een structuurvisie had Haarlem al. Ik heb geadviseerd om tien tot twintig gebiedsvisies als tussenschakel in te zetten, voor ontwikkellocaties als vervoersknopen en herstructureringswijken. Zo maak je je eigen ambities en de kansen voor de markt zichtbaar. We werken inmiddels met een pilot, een gebiedsvisie voor de stadsentree aan de oostzijde.’

Welstand
De verhouding tussen een stadsarchitect en de welstandsbeoordeling is in elke gemeente anders geregeld. Een voorganger van Van Aerschot wist in de jaren negentig het voorzitterschap van de Haarlemse welstandscommissie te bemachtigen. ‘Die droeg dus twee petten, en dat leidde tot veel commotie. Bij zijn vertrek zijn die rollen weer ontvlecht.’ Vorig jaar werd de Haarlemse welstandscommissie zelfs helemaal opgeheven. De formele welstandstoetsing gebeurt er sindsdien ambtelijk, door één of twee personen. Maar Haarlem kreeg ook een nieuwe Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. ‘Daar heb ik het format voor geschreven’, aldus Van Aerschot, die de adviescommissie voorzit. ‘We adviseren vroegtijdig over het leeuwendeel van de ro-projecten. Onze Nota ruimtelijke kwaliteit, die de welstandsnota vervangt, is bovendien een soort ‘bidbook’ voor alle bouwaanvragen. Dat, gecombineerd met de inhoudelijke voorbesprekingen in onze commissie, levert plannen op die bij de aanvraag van de bouwvergunning meestal hamerstukken zijn.’
Vroegtijdige advisering om later geharrewar te voorkomen, en een integrale behandeling van ontwerpvraagstukken, daaraan zeggen alle ondervraagden hun meerwaarde te ontlenen. Van Aerschot snapt niet dat zoveel gemeenten het zonder dit soort deskundigheid stellen. ‘Zeker voor historische Europese steden heb je toch een onafhankelijk hoeder nodig, al was het maar vanwege het unieke erfgoed. Neem Alkmaar, Delft, Breda. Waarom zitten ze daar niet meer?’

Welstandsadviseur heet soms stadsbouwmeester
In 2003 kaapte de herziene Woningwet de functietitel stadsbouwmeester. Een gemeenteambtenaar of externe architect die in zijn eentje de taak van een
welstandscommissie uitvoert, mag zich sindsdien stads- of dorpsbouwmeester noemen. Vooral Brabant en Limburg kennen inmiddels zulke functionarissen, vaak voor meerdere gemeenten tegelijk. Deze stads- of dorpsbouwmeesters beperken zich meestal tot het controleren en afhameren van bouwplannen.

Stedenbouwers over hun stad
Maarten Schmitt geeft in het rijk geïllustreerde boek Den Haag niet alleen zijn visie op de hofstad, maar schrijft ook over zijn persoonlijke ontwikkeling en zijn vijfentwintig jaar als stedenbouwkundige bij de gemeente Groningen. In dezelfde reeks publiceerde de Amsterdamse stedenbouwer Ton Schaap (van 2004 tot 2009 overigens ook stadsstedenbouwer van Enschede) een fotogeniek deel over Amsterdam, met veel aandacht voor de IJ-oevers en IJburg. Beide boeken gaan in op de samenhang tussen wijken en stadsdelen en op de relatie tussen stad en omgeving.
Maarten Schmitt, Den Haag ISBN 97 890 6450 698 7
Ton Schaap, Amsterdam ISBN 978 90 6450 672 7
Beide delen (80 pagina’s) verschenen in de Forumreeks van uitgeverij 010. Prijs € 24,50 per stuk.

Manifest op komst
Het kenniscentrum Architectuur Lokaal organiseert, op initiatief van de stadsarchitecten van Haarlem en Amersfoort, een reeks discussiebijeenkomsten voor stadsarchitecten en verwante functionarissen. De sessies moeten in december uitmonden in een manifest over de positie van de stadsarchitect. De titel, ‘Superman in de stad’, is ironisch bedoeld. De eerste bijeenkomst is op 30 september in Amsterdam. Meer informatie: www.arch-lokaal.nl

Download hier het artikel Stadsarchitect in stedenbouwjungle


Haagse stadsarchitect Maarten Schmitt op zijn laatste werkdag.
Foto: Bert Mellink
Uit: Stadsarchitect in stedenbouwjungle